ECLI:NL:CRVB:2019:1221
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A. Stehouwer
- M. Hillen
- A.M. Overbeeke
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand op grond van de Participatiewet en stond ingeschreven op een uitkeringsadres waar ook appellant en hun kinderen stonden ingeschreven. Na een fraudemelding verrichtte de gemeente Amsterdam onderzoek naar een mogelijke gezamenlijke huishouding en vermogen in Duitsland.
Het college beëindigde de bijstand en vorderde de kosten terug over de periode 2009-2016. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna appellanten in hoger beroep gingen. De Raad toetste of sprake was van een gezamenlijke huishouding, waarbij het hoofdverblijf centraal stond.
De Raad concludeerde dat het uitkeringsadres het hoofdverblijf van appellanten was, mede gebaseerd op hun eigen verklaringen en die van een preventiemedewerker. Het eerdere onderzoek dat appellant het adres slechts als postadres gebruikte, deed hieraan niet af.
Appellanten hadden de inlichtingenverplichting geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Ook de aangevoerde dringende redenen voor kwijtschelding faalden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens niet-gemelde gezamenlijke huishouding worden bevestigd.