ECLI:NL:RBDHA:2020:8557
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bestuurlijke boete wegens manipulatie tachograaf in vrachtwagen
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een buitenlandse vennootschap tegen een bestuurlijke boete van €4.400,- opgelegd door de minister van Infrastructuur en Waterstaat wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Abtv) in samenhang met artikel 32, derde lid, van Verordening (EU) nr. 165/2014. De boete werd opgelegd nadat bij een controle op 2 maart 2017 een voorziening werd aangetroffen die manipulatie van de tachograaf mogelijk maakte.
De eiseres voerde aan dat verweerder onvoldoende had bewezen dat Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing was en dat het onderzoek onrechtmatig was omdat er onvoldoende bewijs was voor een gegrond vermoeden van fraude. Daarnaast betoogde zij dat de extra bedrading mogelijk een reparatie betrof en dat er geen bewijs was dat daadwerkelijk fraude was gepleegd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder mocht uitgaan van het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal en dat de verbalisant deskundig was. De afwijkende meetresultaten en de extra bedrading vormden voldoende bewijs voor een gegrond vermoeden van fraude. Het enkele feit dat de voorziening manipulatie mogelijk maakte was voldoende voor de vaststelling van de overtreding, ongeacht daadwerkelijk gebruik.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde de bestuurlijke boete. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter D. Biever op 5 augustus 2020.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de bestuurlijke boete van €4.400,- wegens tachograafmanipulatie.