ECLI:NL:RVS:2021:1839
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- A. Kuijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging bestuurlijke boete wegens onvoldoende onderbouwing toepasselijkheid Verordening 561/2006
De minister van Infrastructuur en Waterstaat legde aan [appellante] een bestuurlijke boete van €4.400 op wegens overtreding van artikel 2.4:13, tweede lid, van het Arbeidstijdenbesluit vervoer, in samenhang met artikel 32, derde lid, van Verordening (EU) nr. 165/2014. Dit volgde op een inspectie waarbij een voorziening werd aangetroffen die manipulatie van de tachograaf mogelijk maakt.
De rechtbank verklaarde het beroep van [appellante] ongegrond, stellende dat de minister mocht uitgaan van het proces-verbaal waarin werd vastgesteld dat de Verordening 561/2006 van toepassing was. De Raad van State oordeelt echter dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd dat deze verordening van toepassing was, omdat de vrachtbrief niet is overgelegd en de inspecteur haar conclusie niet motiveerde.
De Raad stelt dat het opleggen van een bestuurlijke boete een punitief karakter heeft en dat de bewijslast bij het bestuursorgaan ligt. Bij twijfel moet het voordeel van de twijfel aan de betrokkene worden gegeven. De minister heeft niet aannemelijk gemaakt dat het wegvervoer uitsluitend binnen de EU/EER plaatsvond, zoals vereist.
Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het besluit van 10 juli 2018 herroepen en de boete komt te vervallen. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellante].
Uitkomst: Bestuurlijke boete van €4.400 wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van toepasselijkheid Verordening 561/2006.