ECLI:NL:RBDHA:2020:8925
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verlenging beslistermijn asielaanvraag wegens COVID-19 pandemie
Eiseres diende op 20 november 2019 een asielaanvraag in en stelde verweerder bij brief van 26 mei 2020 in gebreke wegens het niet tijdig nemen van een besluit. Op 29 juni 2020 stelde eiseres beroep in tegen het niet tijdig beslissen. De kern van het geschil betrof de vraag of de beslistermijn met zes maanden was verlengd op grond van WBV 2020/12, gepubliceerd op 20 mei 2020.
Eiseres betwistte de rechtmatigheid van WBV 2020/12 omdat volgens haar de wettelijke grondslag ontbrak, aangezien geen sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 42, vierde lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000, die een verlenging toestaat bij een groot aantal gelijktijdige asielaanvragen. De rechtbank oordeelde dat de COVID-19 pandemie een onvoorziene situatie is die vergelijkbare gevolgen heeft als een grote instroom van asielzoekers, en dat artikel 42, vierde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 analoog toegepast kan worden.
De rechtbank volgde de richtsnoeren van de Europese Commissie van 16 april 2020, waarin werd aangegeven dat lidstaten tijdelijke afwijkingen kunnen toepassen vanwege de pandemie. Omdat de beslistermijn op het moment van beroep nog liep, was het beroep prematuur en daarom niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank wees een proceskostenveroordeling af en bevestigde dat de verlenging van de beslistermijn met zes maanden rechtmatig was.
Uitkomst: Het beroep is niet-ontvankelijk verklaard omdat de beslistermijn rechtmatig met zes maanden is verlengd vanwege de COVID-19 pandemie.