Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 september 2020 in de zaak tussen
[eiseres], eisers
het College van procureurs-generaal,verweerder
Rechtbank Den Haag
Eisers verzochten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om openbaarmaking van documenten over een bezoek van leden van het Openbaar Ministerie aan Thailand in september 2018. De minister weigerde gedeeltelijk openbaarmaking, onder meer vanwege het belang van opsporing en vervolging, de persoonlijke levenssfeer en interne beleidsopvattingen.
Eisers stelden dat er meer documenten achtergehouden werden en dat de minister ten onrechte weigerde documenten en passages openbaar te maken. De rechtbank oordeelde dat eisers onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat er meer documenten bestonden en dat de minister terecht de belangen van opsporing, vertrouwelijkheid en privacy zwaarder had gewogen dan het belang van openbaarmaking.
De rechtbank concludeerde dat de minister de weigering tot openbaarmaking van bepaalde documenten en passages op juiste gronden baseerde, waaronder de bijzondere openbaarmakingsregeling van artikel 30 Wetboek Pro van Strafvordering en de bescherming van interne beleidsopvattingen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot gedeeltelijke weigering van openbaarmaking is ongegrond verklaard.