Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
einduitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer [V-nummer] , eiser
de Staatssecretaris van Justitie en veiligheid, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
2.2 Gelet op het voorgaande blijft verweerder bij de feitelijke constatering dat eiser geen enkel (officieel dan wel indicatief) document heeft ingebracht dat (wel) blijk geeft van de gestelde huwelijksrelatie met referente. Daarnaast wijst verweerder erop dat het inbrengen van de valse huwelijksakte een contra-indicatie is en afbreuk doet aan de oprechtheid van eiser en zijn verklaringen.
Eiser stelt dat Bureau Documenten ten onrechte de conclusie vals heeft getrokken, omdat Bureau Documenten in het weerwoord van 23 december 2019 spreekt van “vergelijkingsmateriaal”. Volgens eiser blijkt uit de Vakbijlage Bureau Documenten onder punt 8.2 dat zonder “specimina” van de handtekening en stempelafdruk geen absolute conclusie wordt getrokken over de bevoegdheid van de betreffende ambtenaar. De conclusie vals mag alleen worden getrokken als er specimina zijn gebruikt, wat hier niet het geval is, aldus eiser. Dit volgt volgens eiser uit de bewoording in het onderzoeksrapport onder het kopje 2.2 Conclusie: “Gelet op het gestelde in punt 2.1.4 en 2.1.5 en het beschikbare vergelijkingsmateriaal is het document
vals.” Hier had, gelet op de Vakbijlage en de conclusie “specimina” moeten staan. Verder heeft eiser een nadere toelichting gegeven op de door verweerder gehandhaafde punten met betrekking tot zijn afgelegde verklaringen. Eiser stelt dat de conclusie van verweerder dat hij met de afgelegde verklaringen zijn huwelijk niet aannemelijk heeft gemaakt nog steeds onvoldoende is gemotiveerd.
Daarom heeft verweerder terecht aangenomen dat er sprake is van een contra-indicatie. Gelet op de verklaringen van eiser heeft verweerder in redelijkheid kunnen concluderen dat eiser niet anderszins zijn huwelijk aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Het onderzoek van Bureau Documenten5. De rechtbank kan de toelichting van verweerder over het onderzoek van Bureau Documenten in de aanvullende motivering volgen. Met de verwijzing naar het weerwoord van Bureau Documenten van 23 december 2019 heeft verweerder voldoende uitgelegd waarom Bureau Documenten een separate conclusie over de opmaak en afgifte niet nodig achtte. Verweerder heeft toegelicht dat Bureau Documenten reeds bij het beoordelen van de echtheid heeft vastgesteld dat het document vals is en dat een separate conclusie over de opmaak en afgifte hier geen verandering in zou kunnen brengen. Hierdoor is de onduidelijkheid over de opmaak en afgifte opgehelderd. Ook kan de rechtbank het standpunt van verweerder volgen dat de conclusie “vals” voldoende inzichtelijk en concludent is, ondanks eisers stelling. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit de Vakbijlage is op te maken dat het begrip “vergelijksmateriaal” een meeromvattend begrip is, waaronder begrepen specimen, referentiemateriaal en vergelijkingsmateriaal [2] en de conclusie vals pas wordt getrokken wanneer specimina, of met specimen vergelijkbare informatie van de autoriteiten in het land van herkomst, aanwezig zijn [3] . Hoewel de rechtbank vindt dat het voorgaande, gelet op de Vakbijlage Bureau Documenten, wellicht duidelijker had kunnen worden opgeschreven, is de rechtbank van oordeel dat het geen vragen oproept over de conclusie van Bureau Documenten. Met wat eiser heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de beschikbaarheid van relevant vergelijkingsmateriaal om tot de conclusie “vals” te kunnen komen. [4] Dit betekent dat verweerder heeft mogen concluderen dat er sprake is van een contra-indicatie als bedoeld in paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;