Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 augustus 2020 in de zaken tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
5 november 2014 aan eiser een brief gestuurd waarin wordt gevraagd de giftenaftrek voor de jaren 2012 en 2013 toe te lichten en schriftelijke bewijsstukken over te leggen.
De boete dient vervolgens verder te worden gematigd in verband met overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de aankondiging van de boete op 5 oktober 2017 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaak uitspraak wordt gedaan, 26 augustus 2020, twee jaar en ruim tien maanden zijn verstreken. Hiermee is de redelijke termijn van twee jaar overschreden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006). De boete wordt dus verder gematigd met 10% en verminderd tot op (50% -/- (10% x 50%) =) 45% van de boetegrondslag. Van schending van de cautieplicht is volgens de rechtbank geen sprake nu deze alleen betrekking heeft op mondelinge verhoren. De vergrijpboete is door verweerder echter gebaseerd op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek en niet op enige verklaring van eiser of toezending van stukken door eiser.
Voor het jaar 2012 heeft verweerder niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan, omdat het bewijsvermoeden voor dat jaar slechts gebaseerd is op verklaringen van derden over wat kennelijk een gebruikelijke werkwijze was binnen de IUE. Uit die verklaringen kan weliswaar worden geconcludeerd dat in veel gevallen sprake was van kwitanties die niet in overeenstemming zijn met de bedragen die daadwerkelijk aan de IUE zijn geschonken, maar dat betekent niet dat reeds daarom in alle gevallen - en dus ook in het geval van eiser - sprake is van onjuiste kwitanties en daarmee van het opzettelijk dan wel grofschuldig te weinig betalen van belasting. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder strekten dan waarover hij heeft verklaard. Niet uitgesloten kan worden dat de penningmeester een deel van de bedragen die door donateurs werden geschonken en waarvoor kwitanties zijn uitgereikt, in eigen zak heeft gestoken. Onder die omstandigheden zou het accepteren van bewijsvermoedens betekenen dat de bewijslast feitelijk ook voor de boeteoplegging op eiser komt te rusten. Verweerder is dan ook niet geslaagd in het bewijs voor 2012 dat het aan opzet of grove schuld van eiser is te wijten dat te weinig belasting is geheven.
Proceskosten
Beslissing
- verklaart de beroepen gericht tegen de boetebeschikkingen gegrond;
- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor zover deze betrekking hebben op de boetebeschikkingen;
- vernietigt de boetebeschikking voor het jaar 2012;
- vermindert de boete voor het jaar 2013 tot 45% van de boetegrondslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden.
26 augustus 2020.