ECLI:NL:RBDHA:2021:10499
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens verplaatsing hoofdverblijf buiten Nederland
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, kreeg een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van gezinshereniging. Verweerder trok deze vergunning met terugwerkende kracht in wegens verplaatsing van het hoofdverblijf buiten Nederland, omdat eiser langer dan zes maanden in Marokko verbleef en zijn huwelijk was ontbonden.
De rechtbank oordeelt dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd door onjuiste toetsing aan de Gezinsherenigingsrichtlijn en schendt daarmee artikel 7:11 Awb Pro. Het beroep is gegrond en het besluit wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
De rechtbank stelt vast dat de nationale intrekkingsvoorwaarde van verplaatsing hoofdverblijf is vervuld en dat de intrekking niet in strijd is met het doel en nuttig effect van de richtlijn, aangezien de gezinsband was verbroken en integratie niet meer bevorderd kan worden.
De intrekking wordt niet als onevenredig beoordeeld, mede omdat eiser onvoldoende belangen heeft gesteld die dat zouden rechtvaardigen. De aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning wordt afgewezen omdat eiser geen rechtmatig verblijf meer had.
Verweerder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten van €1.870,- aan de rechtsbijstandsverlener van eiser.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de intrekking van de verblijfsvergunning blijft in stand.