ECLI:NL:RVS:2019:1923
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- G.M.H. Hoogvliet
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking verblijfsvergunning wegens tijdelijke verhuizing buiten Nederland
De vreemdeling, gehuwd met een Nederlandse echtgenoot en moeder van twee minderjarige kinderen, had een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd die na verlengingen geldig was tot 26 juni 2016. Zij heeft tussen augustus 2014 en juni 2015 met haar kinderen in Egypte gewoond, terwijl haar echtgenoot in Nederland bleef. De staatssecretaris heeft haar aanvraag tot verlenging van de verblijfsvergunning afgewezen en de vergunning ingetrokken op grond van het verplaatsen van haar hoofdverblijf buiten Nederland.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, stellende dat de richtlijn gezinshereniging intrekking toestaat als niet aan de voorwaarden wordt voldaan, waaronder verblijf in de lidstaat. De vreemdeling stelde dat de richtlijn geen expliciete grondslag biedt voor intrekking vanwege tijdelijke verhuizing en dat haar werkelijke gezinsleven niet was verbroken.
De Raad van State oordeelt dat de Gezinsherenigingsrichtlijn geen expliciete bevoegdheid geeft om een verblijfsvergunning in te trekken vanwege het verplaatsen van het hoofdverblijf buiten Nederland zolang het gezinsleven niet is verbroken. De staatssecretaris mag artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 niet toepassen in deze situatie. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit van 6 april 2017 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet opnieuw beslissen zonder toepassing van de intrekkingsgrond wegens verblijf buiten Nederland.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.