ECLI:NL:RVS:2020:988
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- C.M. Wissels
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Vaststelling van fraude bij intrekking verblijfsvergunning wegens niet-melden inkomensdaling
De staatssecretaris heeft op 14 mei 2018 de verblijfsvergunning van de vreemdeling met terugwerkende kracht ingetrokken omdat de referent haar inkomensdaling niet had gemeld, wat tot afwijzing van de aanvraag had geleid. De rechtbank had dit besluit vernietigd wegens onvoldoende motivering en het niet betrekken van individuele omstandigheden bij het middelenvereiste.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in en voerde aan dat hij wel degelijk had getoetst of aan het middelenvereiste werd voldaan en dat het bewust achterhouden van gegevens een frauduleus handelen inhoudt. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht had vastgesteld dat de vreemdeling en referent bewust misleidend hadden gehandeld, waarmee het subjectieve element van fraude was voldaan.
De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbeoordeling, waarbij onder meer de proportionaliteit van de intrekking en het Turkse associatierecht nog moeten worden betrokken. Het besluit van 7 november 2019 werd eveneens vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank.