ECLI:NL:RBDHA:2021:10668
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning wegens Dublin-overdracht aan Zweden
Eiseres, een Syrische vrouw die eerder asiel aanvroeg in Zweden en daar werd afgewezen, diende in Nederland een aanvraag in voor een verblijfsvergunning. De Nederlandse staatssecretaris stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Zweden haar terug zou nemen.
Eiseres vreesde indirect refoulement bij overdracht aan Zweden, omdat Zweden een terugkeerbesluit naar Syrië had uitgevaardigd. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Zweden haar zou uitzetten in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt tot het uitgangspunt dat Zweden het verbod op refoulement respecteert.
De rechtbank wees erop dat eiseres altijd bij het EHRM kan klagen over schendingen van artikel 3 EVRM Pro en dat het verschil in bescherming tussen Nederland en Zweden niet onrechtmatig is zolang Zweden het verbod naleeft. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de verblijfsvergunningaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.