ECLI:NL:RBDHA:2021:10668

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2021
Publicatiedatum
30 september 2021
Zaaknummer
NL 21.13802 en 21.13803
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 18 lid 1 onder d DublinverordeningRichtlijn 2008/115/EGArtikel 28 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
10 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen verblijfsvergunning wegens Dublin-overdracht aan Zweden

Eiseres, een Syrische vrouw die eerder asiel aanvroeg in Zweden en daar werd afgewezen, diende in Nederland een aanvraag in voor een verblijfsvergunning. De Nederlandse staatssecretaris stelde deze aanvraag buiten behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Zweden haar terug zou nemen.

Eiseres vreesde indirect refoulement bij overdracht aan Zweden, omdat Zweden een terugkeerbesluit naar Syrië had uitgevaardigd. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat Zweden haar zou uitzetten in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel leidt tot het uitgangspunt dat Zweden het verbod op refoulement respecteert.

De rechtbank wees erop dat eiseres altijd bij het EHRM kan klagen over schendingen van artikel 3 EVRM Pro en dat het verschil in bescherming tussen Nederland en Zweden niet onrechtmatig is zolang Zweden het verbod naleeft. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de verblijfsvergunningaanvraag niet in behandeling te nemen is ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL21.13802 (beroep)
NL21.13803 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum] , van Syrische nationaliteit, eiseres/verzoekster, hierna te noemen: eiseres
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J.H.A. van Eijk).

Procesverloop

Bij besluit van 27 augustus 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres van 16 maart 2021 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw) 2000 niet in behandeling genomen.
Op 27 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres ontvangen. Ook heeft zij verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Ook was ter zitting aanwezig [naam] , tolk in de Arabische taal. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Achtergrond
1.1.
Eiseres is [leeftijd] jaar oud en heeft de Syrische nationaliteit. Zij woonde tot 2012 in [plaatsnaam] , Syrië. Eiseres heeft na haar vertrek uit Syrië een aantal jaar in Turkije gewoond. Voordat zij in 2018 naar Zweden is gegaan heeft zij zes maanden in Griekenland verbleven.
1.2.
Eiseres heeft in het aanmeldgehoor Dublin verklaard dat zij in Zweden asiel heeft aangevraagd. Deze aanvraag is afgewezen. Zowel de rechtbank als het gerechtshof in Zweden hebben geen reden gezien de afwijzing te vernietigen. Omdat eiseres vreest dat Zweden haar zal uitzetten naar Syrië heeft ze op 16 maart 2021 in Nederland een asielaanvraag ingediend.
Besluit
2. Verweerder heeft in het bestreden besluit de aanvraag van eiseres buiten behandeling gesteld. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 21 mei 2018 in Zweden een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verweerder heeft op 22 april 2021 Zweden verzocht eiseres terug te nemen. [1] Op 23 april 2021 hebben de Zweedse autoriteiten dit met een claimakkoord bevestigd.
Standpunt eiseres
3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat wanneer zij wordt overgedragen aan Zweden sprake is van indirect refoulement. Dat is in strijd met artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dan wel
artikel 4 van Pro het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (Handvest). Eiseres leidt indirect refoulement af uit de omstandigheid dat de Zweedse autoriteiten aan eiseres een terugkeerbesluit hebben uitgevaardigd. Eiseres wijst in dit kader op artikel 8 van Pro de Terugkeerrichtlijn. [2] Daaruit volgt dat lidstaten de nodige maatregelen moeten nemen het terugkeerbesluit uit te voeren. Dat betekent voor eiseres uitzetting door Zweden naar Syrië.
Indirect refoulement
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat overdracht aan Zweden zal leiden tot indirect refoulement. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag er van worden uitgegaan dat de Zweedse autoriteiten eiseres niet zullen uitzetten indien dit strijdig blijkt te zijn met het verbod op refoulement. Dat aan eiseres door de Zweedse autoriteiten een terugkeerbesluit is uitgevaardigd en zij de plicht hebben maatregelen te nemen het terugkeerbesluit uit te voeren, betekent nog niet dat Zweden zich niet zal houden aan voornoemd verbod. Een reëel risico op refoulement, en daarmee ook indirect refoulement, doet zich naar het oordeel van de rechtbank pas voor op het moment dat aannemelijk is dat Zweden onder dwang mensen uitzet naar Syrië. Eiseres heeft niets aangevoerd waaruit dit op te maken is. De rechtbank heeft uit eigen beweging op de zitting nog wel actuele informatie van Amnesty International [3] voorgehouden. Daarin staat dat de Zweedse autoriteiten druk uitoefenen op Syriërs terug te keren, maar niet dat sprake is van dwang.
4.2.
Nu eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat Zweden in strijd handelt met het verbod op refoulement, is de rechtbank van oordeel dat Nederland bij overdracht van eiseres aan Zweden zich ook niet schuldig kan maken aan indirect refoulement.
Procedure bij het EHRM [4]
5. Indien eiseres meent dat het huidige Zweedse beleid strijdig is met artikel 3 van Pro het EVRM, staat het haar vrij daarover vanuit Zweden te klagen bij het EHRM. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 december 2009. [5] Eiseres’ betoog ter zitting dat de termijn waarbinnen zij kan klagen bij het EHRM is verstreken en daarom niet-ontvankelijk zal worden verklaard leidt niet tot een ander oordeel. Indien dit zo is dan heeft eiseres alsnog toegang tot het EHRM. Dat kan bijvoorbeeld door in Zweden een opvolgende aanvraag in te dienen of daar (wanneer zich dat voordoet) op te komen tegen feitelijke uitzetting naar Syrië. Artikel 3 van Pro het EVRM heeft een absoluut karakter en brengt met zich dat indien zich procedurele belemmeringen voordoen de Zweedse rechter een zogenaamde Bahaddar-beoordeling van het 3 EVRM-risico moet maken. [6] Hij zal dan moeten onderzoeken of zich bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden voordoen die onmiskenbaar tot het oordeel leiden dat sprake is van strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. Vervolgens kan ook deze beoordeling worden voorgelegd aan het EHRM.
Lijn 2009 verlaten?
6. Eiseres heeft aangevoerd dat de Afdeling zijn lijn van 9 december 2009 in de uitspraak van 4 november 2020 [7] heeft verlaten. Volgens eiseres volgt daaruit dat niet getoetst moet worden aan artikel 3 van Pro het EVRM, maar aan artikel 4 van Pro het Handvest. Eiseres ziet voor haar standpunt steun in de uitspraak van 15 juli 2021 [8] van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch.
7. De rechtbank volgt het standpunt van eiseres niet. Uit de uitspraak van
4 november 2020 is niet af te leiden dat de Afdeling de lijn van 9 december 2009 heeft verlaten. In de eerste plaats wordt de uitspraak van 9 december 2009 daar niet in genoemd. In de uitspraak van 4 november 2020 staat wel dat de keuze om te toetsen aan artikel 4 van Pro het Handvest in plaats van artikel 3 van Pro het EVRM is ingegeven doordat het recht van de Unie ten uitvoer wordt gebracht. Dat betekent echter nog niet dat een Dublinrechter in dergelijke gevallen gehouden is om (alleen) aan artikel 4 van Pro het Handvest te toetsen. Bovendien maakt het inhoudelijk niet uit of de Dublinrechter aan artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest toetst. Uit artikel 52 van Pro het Handvest volgt namelijk dat artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest dezelfde inhoud en reikwijdte hebben. Dat heeft als uitwerking dat de Dublinrechter eveneens door aan artikel 3 van Pro het EVRM te toetsen tot een rechtens juiste beoordeling kan komen.
Twijfel aan de uitleg van het Unierecht?
8. Op de zitting is ook uitgebreid gesproken over de uitspraak van 14 september 2021 van de voorzieningenrechter, zittingsplaats 's-Hertogenbosch. [9] Het is onmiskenbaar dat die uitspraak een uitvoerig exposé vormt over de Dublinverordening, artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Echter ziet deze rechtbank en zittingsplaats in deze procedure geen reden om te twijfelen aan de uitleg van het Unierecht. In beide situaties, dus of nu wel of niet aannemelijk is dat Zweden in strijd handelt met het verbod op refoulement is het de rechtbank duidelijk hoe het Unierecht moet worden uitgelegd. Namelijk:
(1) indien niet aannemelijk is dat Zweden in strijd handelt met het verbod op refoulement kan eiseres op grond van de Dublinverordening worden overgedragen aan Zweden;
(2) indien wel aannemelijk is dat Zweden in strijd handelt met het verbod op refoulement voorkomt dit verbod dat eiseres op grond van de Dublinverordening wordt overgedragen aan Zweden.
Gelet op het absolute karakter van artikel 3 van Pro het EVRM, dan wel artikel 4 van Pro het Handvest, bestaat naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel over de uitleg van het Unierecht.
Verschil in bescherming onwenselijk
9. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het gelet op het gemeenschappelijk Europees asielstelsel onwenselijk is dat er tussen Nederland en Zweden een verschil in bescherming bestaat, overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres is er, als eerder gezegd, niet in geslaagd aannemelijk te maken dat Zweden in strijd handelt met het verbod op refoulement. Daarin bestaat tussen Nederland en Zweden geen verschil. Indien eiseres meent dat het niet wenselijk is dat Zweden en Nederland niet precies dezelfde rechten toekennen aan Syriërs, dan staat het haar vrij daarover te klagen bij de Zweedse autoriteiten. Als eerder gezegd, zo lang Zweden artikel 3 van Pro het EVRM, dan wel artikel 4 van Pro het Handvest niet schendt, ziet de rechtbank geen belemmering voor overdracht van eiseres aan Zweden. De beroepsgrond van eiseres slaagt niet.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond. Omdat met deze uitspraak op het beroep van eiseres is beslist, bestaat er geen reden tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep met zaaknummer NL21.13802 ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening met zaaknummer NL21.13803 af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.H. Waller, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M. Belhaj, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
2.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
3.7 september 2021,
4.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
6.Arrest van EHRM, Bahaddar tegen Nederland, van 19 februari 1998, nr. 25094/94, r.o. 45.