Eisers, bestaande uit de ouders en broers en zussen van een Eritrese referent die in Nederland verblijft, hebben verzoeken ingediend voor machtigingen tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis. Deze aanvragen zijn door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid afgewezen omdat eisers onvoldoende officiële documenten konden overleggen om hun identiteit en familierechtelijke relatie met de referent aan te tonen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder terecht geen bewijsnood heeft aangenomen voor de vader, omdat er tegenstrijdige verklaringen waren over het ontbreken van officiële identiteitsdocumenten. Voor de moeder is de identiteit inmiddels aangetoond, maar ook zij heeft geen officiële familierechtelijke documenten overlegd. Voor de broers en zussen is wel bewijsnood aangenomen voor hun identiteit, maar niet voor de familierechtelijke relatie, omdat daarvoor onvoldoende indicatief bewijs is geleverd.
De rechtbank volgt verweerder in zijn vaste gedragslijn zoals neergelegd in Werkinstructie 2018/20, dat zonder voldoende bewijs van identiteit en familierechtelijke relatie geen nader onderzoek hoeft te worden aangeboden. Ook is niet voldaan aan de voorwaarden voor het aanbieden van DNA-onderzoek. Eisers vormen geen biologisch kerngezin in de zin van de werkinstructie, omdat de vader niet zal nareizen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de nareisaanvragen blijft in stand.