ECLI:NL:RBDHA:2021:11540
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging verblijfsrecht en ongewenstverklaring wegens actuele ernstige bedreiging niet gegrond verklaard
Eiser, een Griekse Unieburger, verblijft sinds 2015 in Nederland. Verweerder beëindigde zijn verblijfsrecht en verklaarde hem ongewenst vanwege een onherroepelijke veroordeling tot 5 jaar gevangenisstraf voor poging tot doodslag en diefstal in 2016. Eiser werd in april 2020 voorwaardelijk vrijgelaten, maar verweerder achtte hem nog steeds een actuele bedreiging.
Eiser voerde aan dat hij sinds 2016 geen strafbare feiten meer pleegde, spijt betuigde, verslavingen overwon, en een positieve gedragsverandering liet zien. Hij stelde dat het besluit onvoldoende gemotiveerd was en in strijd met artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank oordeelde dat de korte periode sinds zijn voorwaardelijke invrijheidstelling onvoldoende is om van een daadwerkelijke gedragsverandering te spreken.
De rechtbank bevestigde dat de beëindiging van het verblijfsrecht niet ontvankelijk is zolang de ongewenstverklaring van kracht is. De ongewenstverklaring werd als rechtmatig beoordeeld omdat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging vormt. De schending van de hoorplicht werd verworpen omdat het horen op voorhand geen ander besluit zou opleveren.
Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van het verblijfsrecht is niet-ontvankelijk en het beroep tegen de ongewenstverklaring ongegrond verklaard.