ECLI:NL:RBDHA:2021:11710
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke vernietiging intrekking verblijfsvergunning minderjarige pleegkind
Eiser, een jongere van Ghanese nationaliteit, verbleef sinds 2017 in Nederland bij een pleeggezin nadat zijn moeder hem had achtergelaten. Verweerder trok de verblijfsvergunning van eiser in omdat de vergunning van zijn moeder was ingetrokken en stelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren om van intrekking af te zien.
De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met deskundigenrapportages, waaronder een gedragswetenschappelijke rapportage van de Rijksuniversiteit Groningen en een kinderrechtenrapportage van Defence for Children. Tevens is onvoldoende onderzocht of eiser in Ghana adequaat door familieleden kan worden opgevangen, terwijl de verblijfplaats en zorgcapaciteit van zijn familieleden onduidelijk zijn.
De rechtbank stelt dat verweerder de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gemaakt en onvoldoende gemotiveerd heeft waarom het privéleven van eiser in Nederland geen bijzondere bescherming verdient. De procedure heeft ruim drie jaar geduurd, waarin eiser in onzekerheid verkeerde en meer gehecht raakte aan zijn situatie in Nederland.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen binnen zes weken. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat de rechtbank op het beroep heeft beslist. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.