ECLI:NL:RVS:2016:1543
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- G.M.H. Hoogvliet
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf wegens onvoldoende motivering artikel 8 EVRM
De vreemdelingen, Iraakse nationaliteit, vroegen op 23 juli 2014 een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan, welke op 11 november 2014 werd afgewezen door de staatssecretaris. Bij besluit van 8 juni 2015 werden de bezwaren van de vreemdelingen ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen ongegrond op 8 december 2015. De vreemdelingen gingen hiertegen in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling constateerde dat de rechtbank onvoldoende had getoetst of het besluit in overeenstemming was met artikel 8 EVRM Pro, waarin het recht op eerbiediging van privé- en gezinsleven is vastgelegd. Vreemdeling 2 had expliciet een beroep gedaan op haar langdurige verblijf en familiebanden in Nederland, die niet voldoende waren meegewogen in de belangenafweging door de staatssecretaris.
De staatssecretaris had nagelaten de sterke banden van vreemdeling 2 met Nederland en het feit dat zij over twee jaar mogelijk recht heeft op een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd mee te wegen. Ook was niet gemotiveerd waarom van haar mocht worden verlangd in Irak te wachten. Omdat de aanvraag van vreemdeling 1 afhankelijk was van die van vreemdeling 2, was ook het besluit over haar aanvraag ondeugdelijk gemotiveerd.
De Afdeling oordeelde dat de staatssecretaris de belangenafweging niet deugdelijk had gemotiveerd en dat de vreemdelingen bovendien ten onrechte niet in bezwaar waren gehoord. Het hoger beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank vernietigd, en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf is vernietigd wegens onvoldoende motivering en onjuiste belangenafweging onder artikel 8 EVRM.