Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Asielrelaas
Bestreden besluit
- Identiteit, nationaliteit en herkomst
- Afwending van de islam
- Bekering tot het christendom
- Problemen in verband met de bekering tot het christendom
Standpunt eiser
Beoordeling rechtbank
Algemeen beoordelingskader bekeerlingen
Bespreking beroepsgronden
ten nadele van de vreemdelingbetrekken bij de beoordeling van een gestelde bekering. In het onderhavige geval zal verweerder dus kenbaar moeten motiveren waarom de geloofwaardig geachte afvalligheid
niet ten voordele van de vreemdelingtot ondersteuning leidt van de gestelde bekering. De rechtbank acht de toelichting ter zitting van verweerder dat het bijwonen van huiskerkdiensten door eiser niets zegt over een bekering omdat dit geloofwaardig geachte bijwonen ook op “algemene interesse” in deze huiskerkbijeenkomsten kan duiden, onbegrijpelijk. Het bijwonen van huiskerkbijeenkomsten en het deelnemen aan huiskerkgroepen heeft verweerder specifiek in zijn landenbeleid over Iran geduid omdat wordt aangenomen dat dit ernstige risico’s met zich brengt. De rechtbank acht het buitengewoon onwaarschijnlijk dat iemand in Iran vervolging zou riskeren enkel vanwege “algemene interesse” in dit soort bijeenkomsten zonder dat deze deelname aan de huiskerkbijeenkomsten specifiek betrekking heeft op het bekeerd zijn op of motieven om zich mogelijk te willen bekeren. Waar verweerder in de regel tegenwerpt dat het onwaarschijnlijk is dat iemand het risico neemt om deel te nemen aan huiskerkbijeenkomsten, acht verweerder dit in de onderhavige procedure wel geloofwaardig, maar werpt dan tegen dat eiser dit ook vanuit algemene interesse in plaats vanuit een geloofsovertuiging kan hebben gedaan. De beoordeling door verweerder van de gestelde bekering kan dan ook reeds geen stand houden omdat verweerder de geloofwaardig geachte afvalligheid en het geloofwaardig geachte bijwonen van bijeenkomsten van huiskerken hierbij niet kenbaar heeft betrokken. Deze overweging van de rechtbank staat dus los van het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bijwonen van de huiskerkbijeenkomsten als separaat element had moeten aanmerken. Beide overwegingen zijn zelfstandige redenen om het besluit te vernietigen.
op welke datum heeft u zich bekeerd?” is onder deze omstandigheden een vraag die niet past bij “het authentieke relaas” van eiser. Eiser heeft nadat de vraag meerdere malen is gesteld wisselende verklaringen afgelegd. Het had op de weg van verweerder gelegen om eiser om nadere uitleg te vragen waarom hij verschillende data noemt. Verweerder had dienen te verifiëren of eiser vindt dat hij zich “op een bepaalde datum” heeft bekeerd of dat hij vindt dat hij hierin een proces heeft doorgemaakt. Indien verweerder dan aan eiser voorhoudt dat hij verschillende feiten beschrijft als hem wordt gevraagd “wanneer” hij zich heeft bekeerd kan eiser dit ook nader toelichten. Verweerder dient op die wijze invulling te geven aan zijn samenwerkingsplicht omdat verweerder actief moet onderzoeken of eiser internationale bescherming behoeft. Nu eiser uitgebreid en gedetailleerd heeft verklaard over verschillende fases in het proces dat hij heeft doorlopen, dient verweerder in het gehoor eiser er op te wijzen dat het tegenstrijdig lijkt dat hij verschillende omstandigheden en dus ook verschillende data benoemt in plaats van dit enkel in de beoordeling van het relaas als tegenstrijdigheid te duiden en dit dus tegen te werpen. Dit geldt temeer als, zoals in de onderhavige procedure, de grote lijnen van het relaas consistent zijn, verweerder het relaas met betrekking tot de afvalligheid en de huiskerkdiensten geloofwaardig acht, verweerder feitelijk vaststelt dat eiser over kennis over het christendom beschikt en ook geloofsgerelateerde activiteiten verricht en verder “enkel” wordt tegengeworpen dat het relaas summier en vaag is en eiser niet goed genoeg in staat is te benoemen wat “zijn persoonlijke beleving” bij alle fases in zijn geloofsontwikkeling is.
vanwegede aldaar georganiseerde huiskerkdiensten. Verweerder heeft de inval als zodanig niet betwist, maar verlangt van eiser “bewijs” wat de reden van de inval was. De rechtbank overweegt dat verweerder hiermee te hoge eisen stelt aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken. Verweerder acht geloofwaardig dat eiser heeft deelgenomen aan huiskerkbijeenkomsten die plaatsvonden in het bedrijf waar eiser werkte. Eiser heeft verklaard dat deze bijeenkomsten na sluitingstijd plaatsvonden en dat hij daarom vermoedt dat de inval heeft plaatsgevonden vanwege de huiskerkdiensten. Verweerder werpt tegen dat dit “slechts vermoedens” zijn. Niet valt in te zien hoe eiser dit nader kan onderbouwen. Van eiser, waarvan verweerder geloofwaardig acht dat hij op het moment van de inval niet ter plaatse maar in Teheran was, en die bovendien slechts een werknemer van dat bedrijf was, kan bezwaarlijk worden verwacht dat hij documenten kan tonen waaruit blijkt wie de inval heeft gedaan en met welke reden. Reeds hierom kan deze tegenwerping niet slagen en zal verweerder opnieuw moeten beoordelen waarom de omstandigheid dat er een inval heeft plaatsgevonden in het bedrijf waar eiser werkte en waar hij na sluitingstijd bijeenkomsten van een huiskerk bijwoonde niet valt te kwalificeren als problemen ten gevolge van een gestelde bekering.