ECLI:NL:RBDHA:2021:12312
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op verblijfsvergunning na ongeloofwaardige bekering tot christendom
Eiser, een Afghaanse asielzoeker, heeft een opvolgende aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend, gebaseerd op zijn bewering dat hij zich tot het christendom heeft bekeerd en zijn geloof heeft verdiept. De eerdere asielaanvraag was reeds afgewezen en deze afwijzing stond in rechte vast.
De rechtbank heeft overwogen dat verweerder de bekering niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser kon onvoldoende verklaren over de motieven en het proces van zijn bekering, wat niet strookte met zijn eigen omschrijving van een weloverwogen keuze. Daarnaast werd het element afvalligheid niet als separaat risico beoordeeld, omdat eiser in Afghanistan niet als praktiserend moslim werd gezien en geen afstand had gedaan van de islam.
Ook werd het beroep op artikel 8 EVRM Pro afgewezen omdat de aanvraag een tweede asielaanvraag betrof en niet viel onder de uitzonderingen die ambtshalve toetsing vereisen. De rechtbank concludeerde dat de aanvraag terecht als kennelijk ongegrond was afgewezen en verklaarde het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel wordt afgewezen als kennelijk ongegrond.