ECLI:NL:RBDHA:2021:12642
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering opheffing ongewenstverklaring wegens niet voldoen aan voorwaarden Vreemdelingenwet
Eiser, van Albanese nationaliteit, is op 15 februari 2016 ongewenst verklaard vanwege een veroordeling tot gevangenisstraf wegens overtreding van artikel 231, tweede lid, Sr. Eiser verzocht op 16 juli 2019 om opheffing van deze ongewenstverklaring, maar dit verzoek werd bij besluit van 22 augustus 2019 afgewezen. Het bezwaar hiertegen werd eveneens ongegrond verklaard bij besluit van 23 maart 2020.
Eiser stelde dat de ongewenstverklaring moest worden opgeheven omdat hij geen actueel gevaar voor de openbare orde vormde en verwees naar jurisprudentie van het HvJEU en de Afdeling bestuursrechtspraak. De rechtbank oordeelde echter dat de Terugkeerrichtlijn niet van toepassing is omdat eiser toegang tot Nederland werd geweigerd vanwege het bezit van een vals reisdocument, waardoor de richtlijn niet geldt.
De rechtbank stelde vast dat eiser niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor opheffing zoals bepaald in artikel 6.6 van het Vreemdelingenbesluit 2000, waaronder het vereiste van vijf jaar verblijf buiten Nederland en de EU zonder strafbare feiten. Ook waren er geen bijzondere omstandigheden die tijdelijke opheffing rechtvaardigen.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de weigering tot opheffing van de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard.