Eiseres, van Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis bij haar verloofde, de referent, die een verblijfsvergunning asiel bezit. De aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijke termijn van drie maanden na verlening van de verblijfsvergunning aan de referent was ingediend.
Eiseres voerde aan dat de termijnoverschrijding niet aan haar of de referent kon worden toegerekend, omdat Vluchtelingenwerk onjuiste informatie had verstrekt over de mogelijkheid tot aanvraag, mede vanwege een vermeend samenwoningsvereiste. De rechtbank oordeelde dat de Vreemdelingenwet 2000 en de verstrekte brochure geen samenwoningsvereiste bevatten en dat fouten van gemachtigden of hulppersoonlijke adviseurs geen reden zijn om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
De rechtbank verwierp het beroep, overwoog dat de aanvraag niet zinloos was en dat de termijnoverschrijding redelijkerwijs aan eiseres kon worden toegerekend. Ook werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden en dat het verzoek tot heropening van het onderzoek ongegrond was. Het beroep werd ongegrond verklaard en een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.