ECLI:NL:RBDHA:2021:12989
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aanvullende beurs terecht toegekend met terugwerkende kracht tot begin studiejaar
Eiser volgt sinds september 2016 een hbo-opleiding en heeft studiefinanciering ontvangen in de vorm van een lening, studentenreisproduct en collegegeldkrediet. In september 2020 vroeg hij een aanvullende beurs aan, die hem alleen vanaf die maand werd toegekend. Eiser betoogde dat hij vanwege het inkomen van zijn ouders recht had op de aanvullende beurs vanaf het begin van zijn studie in 2016, maar dit niet eerder had aangevraagd uit onwetendheid.
De rechtbank overweegt dat de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) in artikel 3.21, derde lid, een dwingendrechtelijke bepaling bevat die bepaalt dat de aanvullende beurs met terugwerkende kracht slechts kan worden toegekend vanaf het begin van het studiejaar waarin de aanvraag is gedaan. Dit betekent dat een terugwerkende toekenning vóór 1 september 2020 niet mogelijk is. De rechtbank verwijst daarbij naar een eerdere uitspraak van de Centrale Raad van Beroep uit 2016.
Verder wijst de rechtbank het beroep op de hardheidsclausule van artikel 11.5 Wsf 2000 af, omdat de beperkte terugwerkende kracht een rechtstreeks gevolg is van de wet en het de verantwoordelijkheid van eiser is om tijdig de juiste aanvraag in te dienen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De aanvullende beurs is terecht met terugwerkende kracht toegekend vanaf het begin van het studiejaar 2020/2021 en niet eerder.