ECLI:NL:CRVB:2023:1327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering terugwerkende kracht aanvullende beurs studiefinanciering
Appellant vroeg aanvankelijk studiefinanciering aan vanaf 1 september 2016, bestaande uit lening en collegegeldkrediet. Pas in september 2020 vroeg hij een aanvullende beurs aan, die de minister toekende met ingang van 1 september 2020, maar niet met terugwerkende kracht. De minister wees het bezwaar tegen deze beperkte terugwerkende kracht af. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat de wet geen terugwerkende kracht toestaat en de hardheidsclausule niet van toepassing was.
In hoger beroep voerde appellant aan dat hij pas laat op de hoogte was van de aanvullende beurs en dat de afwijzing onevenredig was, mede verwijzend naar het Rapport Werkgroep Toeslagenaffaire en een bijdrage van oud-president Corstens. De Raad oordeelde echter dat de rechtbank een gemotiveerd oordeel had gegeven over de toepassing van de hardheidsclausule en dat appellant geen nieuwe feiten aanvoerde die een afwijking rechtvaardigen.
De Raad concludeerde dat de wet dwingendrechtelijk is en dat de minister terecht geen terugwerkende kracht verleende. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de aanvullende beurs niet met terugwerkende kracht wordt toegekend.