ECLI:NL:RBDHA:2021:13297
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking voorlopige voorziening verblijfsvergunning
Verzoekster, een Nigeriaanse onderneemster, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning als langdurig ingezetene. De aanvraag werd aanvankelijk afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Verzoekster maakte bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De Staatssecretaris verklaarde het bezwaar gegrond nadat verzoekster aanvullende financiële stukken had overgelegd die buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vielen. Naar aanleiding hiervan trok verzoekster haar verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht zij om vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking niet neerkomt op een herziening van het primaire besluit binnen de grenzen van het geding, maar op nieuwe feiten die buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vielen. Daarom is er geen sprake van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb en bestaat geen grond voor proceskostenvergoeding.
Het verzoek tot veroordeling in de proceskosten wordt daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek tot proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat geen sprake is van tegemoetkomen binnen de onderzoekslast van het bestuursorgaan.