ECLI:NL:RBDHA:2021:13489
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Terugvordering van Bbz-uitkering wegens overschrijding jaarnorm inkomen
Eiser diende op 21 februari 2019 een aanvraag in voor bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). Verweerder verleende een renteloze lening voor de periode 21 februari tot en met 30 juni 2019. Later stelde verweerder het inkomen van eiser over 2019 definitief vast op €29.915, wat hoger is dan de jaarnorm van €12.335,82, en vorderde de verleende bijstand van €4.395,21 terug.
Eiser betwistte het inkomen en stelde dat hij geen DGA-salaris had ontvangen, maar de rechtbank volgde dit niet omdat uit de belastingaangifte en correspondentie met de boekhouder bleek dat eiser wel degelijk inkomsten had. Verweerder baseerde de terugvordering onterecht op een vervallen wettelijke verplichting, maar de rechtbank paste artikel 6:22 Awb Pro toe en passeerde dit gebrek omdat eiser niet benadeeld was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht de terugvordering uitvoerde op grond van zijn beleidsregels en dat er geen dringende redenen waren om af te zien van terugvordering. Het beroep tegen het eerste besluit werd niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Het beroep tegen het tweede besluit werd ongegrond verklaard. Verweerder werd opgedragen het betaalde griffierecht aan eiser te vergoeden.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de terugvordering van de Bbz-uitkering ongegrond en bevestigt de terugvordering van €4.395,21.