ECLI:NL:CRVB:2023:1564
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand op grond van Bbz 2004 ondanks betwisting appellant
Appellant, werkzaam als zelfstandige vastgoedadviseur, ontving in 2019 bijstand op grond van het Besluit bijstandsverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004). Het college stelde het recht op bijstand definitief vast en vorderde € 4.395,21 terug omdat het netto-inkomen van appellant over 2019 hoger was dan de jaarnorm.
Appellant betwistte de terugvordering en stelde dat er geen rechtsgrond voor was en dat hij erop vertrouwde dat de bijstand niet zou worden teruggevorderd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde het college in het gelijk, ondanks een motiveringsgebrek.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad oordeelde dat het fiscale inkomen doorslaggevend is bij de vaststelling van het netto-inkomen en dat appellant geen aannemelijk bewijs leverde voor de gestelde toezegging dat terugvordering niet zou plaatsvinden.
De Raad concludeerde dat de terugvordering terecht is en dat appellant het betaalde griffierecht niet terugkrijgt. De aangevallen uitspraak van de rechtbank blijft daarmee in stand.
Uitkomst: De terugvordering van € 4.395,21 bijstand blijft in stand omdat het inkomen de jaarnorm overschrijdt en geen toezegging tot kwijtschelding is aangetoond.