ECLI:NL:RBDHA:2021:14471
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bij intrekking bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf in andere gemeente
Verzoeker had een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet die per 1 januari 2021 werd ingetrokken omdat hij niet zijn hoofdverblijf in de gemeente Leiden zou hebben. Tevens werd een terugvordering ingesteld over de periode van 25 april 2019 tot en met 31 december 2020.
Verzoeker stelde dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf in Leiden heeft en dat hij vanwege zorgtaken veel tijd doorbrengt in het asielzoekerscentrum in een andere gemeente. Hij leefde in een schrijnende financiële situatie en vroeg om een voorlopige voorziening om de uitkering te behouden.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang voor de intrekking van de uitkering, maar niet voor de terugvordering. Op basis van de feiten en omstandigheden was voorshands voldoende aannemelijk dat verzoeker zijn hoofdverblijf niet in Leiden heeft, ook al verblijft hij veel in het AZC vanwege zijn gezin.
Daarom kon verzoeker niet in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering van de gemeente Leiden en werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht werd aan verzoeker vergoed.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.