ECLI:NL:RBDHA:2021:1519
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning Turkse werknemer na verbreking relatie en minder dan een jaar legale arbeid
Eiser, een Turkse werknemer, kreeg een verblijfsvergunning als gezinslid van zijn echtgenote, de referent. Na de verbreking van hun relatie en ontbinding van het huwelijk trok de Staatssecretaris de vergunning met terugwerkende kracht in vanaf de datum dat zij niet meer samenwoonden. Eiser voerde aan dat hij sinds 15 juli 2018 legale arbeid verrichtte en daardoor zelfstandig verblijfsrecht op grond van het Besluit 1/80 had opgebouwd. Tijdens de zitting werd echter duidelijk dat hij pas vanaf 27 augustus 2018 legaal was aangemeld bij het UWV, waardoor hij niet voldeed aan de vereiste van een jaar legale arbeid.
De rechtbank overwoog dat de intrekking met terugwerkende kracht geoorloofd is, ook in het licht van het arrest Unal van het Hof van Justitie EU. Dit arrest verhindert intrekking met terugwerkende kracht alleen wanneer de werknemer reeds een jaar legale arbeid heeft verricht en geen fraude heeft gepleegd. Omdat eiser niet aan deze voorwaarden voldeed, was de intrekking terecht. Verder oordeelde de rechtbank dat de standstill-bepaling van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 niet in de weg staat aan de intrekking, mede gelet op artikel 59 van Pro het Aanvullend Protocol en eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Tot slot stelde de rechtbank vast dat het verblijf van eiser onrechtmatig was en dat het terugkeerbesluit terecht is opgelegd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard.