ECLI:NL:RBDHA:2021:15599
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek opvang vreemdeling en ongegrond beroep tegen besluit
Eiser, een Beninse vreemdeling die sinds september 2019 in beschermde opvang verbleef, verzocht op 7 november 2019 om opvang nadat hij meerderjarig was geworden en niet langer bij Nidos kon verblijven. Verweerder wees dit verzoek op 10 december 2019 af, stellende dat eiser niet viel onder de categorieën vreemdelingen die recht hebben op opvang volgens de Regeling verstrekkingen asielzoekers 2005 (Rva).
Eiser stelde dat hij recht had op opvang vanwege zijn status als vermoedelijk slachtoffer van mensenhandel en verwees naar internationale richtlijnen en verdragen. Hij vorderde tevens een schadevergoeding voor de kosten van opvang in de periode 10 december 2019 tot 2 april 2020. De rechtbank oordeelde dat het indienen van een verblijfsvergunningaanvraag niet automatisch recht geeft op opvang en dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser niet tot een beschermde categorie behoorde. Ook was er geen sprake van zeer bijzondere omstandigheden die opvang noodzakelijk maakten.
Ten aanzien van het beroep op het EVRM overwoog de rechtbank dat verweerder niet de aangewezen instantie is om opvang te verlenen en dat er geen algemene zorgplicht voor opvang bestaat. De rechtbank concludeerde dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om opvang wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.