ECLI:NL:RBDHA:2021:15645
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering uitstel van vertrek wegens medische situatie volgens BMA-advies
Eiser, een Rwandese nationaliteit dragende persoon, verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie, waaronder een posttraumatische stressstoornis en depressieve stoornis. Verweerder wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat concludeerde dat eiser medisch in staat was te reizen en dat er geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten was.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig was en niet voldeed aan het motiveringsbeginsel, onder meer omdat het BMA-advies niet alle medische gegevens zou hebben betrokken en onvoldoende rekening hield met het arrest C.K. tegen Slovenië. De rechtbank oordeelde echter dat het BMA-advies objectief, onpartijdig en inzichtelijk was opgesteld en dat eiser geen concrete aanwijzingen had geleverd die twijfel aan de juistheid of volledigheid van het advies rechtvaardigden.
De rechtbank stelde vast dat het BMA expliciet had beoordeeld of eiser kon reizen en onder welke voorwaarden, en dat daarmee ook de vraag of uitzetting een schending van artikel 3 EVRM Pro opleverde was betrokken. Nieuwe medische informatie na het advies kon in deze procedure niet worden meegenomen vanwege het ex-tunc karakter van het beroep.
Gelet op deze overwegingen verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser werd vrijgesteld van griffierecht wegens betalingsonmacht. Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het uitstel van vertrek is ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening is afgewezen.