ECLI:NL:RBDHA:2021:15648
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitstel van vertrek wegens onvoldoende bewijs identiteit en medische noodsituatie
Eiser verzocht om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege ernstige medische aandoeningen, waaronder een posttraumatische stressstoornis en fysieke beperkingen. Verweerder wees dit verzoek af op basis van een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA), dat stelde dat eiser in staat was te reizen en dat er geen acute psychiatrische noodsituatie was.
Eiser voerde aan dat het BMA-advies onvolledig was omdat niet was vastgesteld of de noodzakelijke medische zorg in zijn land van herkomst toegankelijk was. Tevens stelde hij dat hij zijn identiteit en nationaliteit voldoende had aangetoond, ondanks het ontbreken van geldige documenten, en dat hij als staatloos moest worden beschouwd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van het BMA-advies was uitgegaan omdat dit onpartijdig en objectief was opgesteld en eiser geen contra-expertise had overgelegd. Daarnaast stelde de rechtbank dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt wie hij was, waardoor hij ook niet kon aantonen dat noodzakelijke medische zorg in zijn land van herkomst niet toegankelijk was. De rechtbank zag geen reden om prejudiciële vragen af te wachten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van uitstel van vertrek wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.