ECLI:NL:RBDHA:2021:15667
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op afgeleid verblijfsrecht na onvoldoende bewijs familieleven in België
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een document op grond van artikel 9 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 dat zijn rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan in Nederland zou bevestigen. Dit verzoek werd afgewezen omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat hij samen met zijn Nederlandse partner minstens drie maanden onafgebroken in België had verbleven en daar een gezinsleven had opgebouwd.
De rechtbank overwoog dat het enkel overleggen van een verblijfsdocument in België en administratieve bewijsstukken niet automatisch betekent dat aan de voorwaarden voor een afgeleid verblijfsrecht is voldaan. Bewijzen zoals huurovereenkomsten, bankafschriften en loonstroken waren onvoldoende om het feitelijke verblijf en het familieleven aan te tonen. Ook het ontbreken van bewijs van betaling van vaste lasten en een geldige ziektekostenverzekering speelde een rol.
Verweerder had eiser meerdere malen gevraagd aanvullende bewijsstukken te overleggen, maar eiser reageerde niet. Gezien deze omstandigheden oordeelde de rechtbank dat het beroep ongegrond is en dat eiser geen afgeleid verblijfsrecht toekomt. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van minimaal drie maanden verblijf en familieleven in België.