ECLI:NL:RBDHA:2021:15805
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Proceskostenvergoeding bij intrekking beroep en voorlopige voorziening in vreemdelingenrecht
Eiseres diende op 13 december 2018 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER, welke op 19 juli 2019 werd afgewezen door verweerder. Na een ongegrondverklaring van bezwaar op 5 december 2019 stelde eiseres beroep in. Dit beroep werd op 15 oktober 2020 gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Bij een nieuw besluit van 11 december 2020 werd het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, waartegen eiseres beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening verzocht.
Verweerder trok op 20 april 2021 het bestreden besluit in en bood vergoeding van proceskosten en griffiekosten aan. Eiseres trok daarop het beroep en de voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van de gemaakte proceskosten. De rechtbank oordeelde dat beroep en voorlopige voorziening samenhangende zaken vormden, omdat zij gelijktijdig waren gestart met één formulier en identieke gronden hadden.
De rechtbank wees het verzoek toe en veroordeelde verweerder tot betaling van €534 aan proceskosten, gebaseerd op één punt voor het indienen van het beroepschrift conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan zonder zitting en is openbaar gemaakt op 2 juni 2021.
Uitkomst: De rechtbank veroordeelt de Staatssecretaris tot betaling van €534 aan proceskosten aan eiseres.