ECLI:NL:RBDHA:2021:15908
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis pleegkind wegens onvoldoende bewijs biologische ouders
De zaak betreft een verzoek tot machtiging voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis van een pleegkind van een referent met een asielvergunning in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees de aanvraag af omdat de identiteit van de biologische ouders en de familierechtelijke relatie niet met officiële documenten was aangetoond.
De eiser voerde aan dat het onmogelijk was om in Eritrea officiële documenten te verkrijgen en dat hij bewijsnood had. Hij stelde dat de doopakte en gezondheidskaart voldoende indicatief waren en dat het hogere belang van het kind niet was betrokken. De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat er geen bewijsnood was en dat de aangeleverde documenten onvoldoende waren om de identiteit en relatie aan te tonen.
Omdat de identiteit van de biologische ouders niet aannemelijk was gemaakt, hoefde de feitelijke gezinsband niet te worden beoordeeld. De rechtbank vond de eisen van verweerder niet disproportioneel en oordeelde dat de hoorplicht niet was geschonden. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging voorlopig verblijf is ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van de identiteit van de biologische ouders.