ECLI:NL:RBDHA:2021:16051

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2021
Publicatiedatum
5 april 2022
Zaaknummer
AWB 21/661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 7:12 AwbRichtlijn 2003/86/EUArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens niet beschikbaar DNA-onderzoek

Eisers, ouders en minderjarige familieleden van een referent met een verblijfsvergunning, vroegen een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aan voor nareis. De staatssecretaris wees deze aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie onvoldoende was aangetoond en eisers niet beschikbaar waren voor DNA-onderzoek op de Nederlandse ambassade in Ethiopië.

Eisers stelden dat zij door coronamaatregelen en het conflict in Tigray niet konden reizen en verweerder handelde in strijd met de samenwerkingsverplichting door de aanvraag niet aan te houden. De rechtbank oordeelde dat verweerder alle relevante omstandigheden had betrokken en dat het aanbieden van DNA-onderzoek op de ambassade niet onevenredig was. Het niet aanhouden van het onderzoek was niet onzorgvuldig.

De rechtbank stelde dat verweerder terecht naar de reguliere verblijfsprocedure verwees, ook al was de referent inmiddels meerderjarig. Wel werd geoordeeld dat verweerder de informatieplicht had geschonden door eisers pas laat te informeren over deze mogelijkheid, waardoor het bestreden besluit werd vernietigd.

De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand omdat eisers inmiddels op de hoogte zijn van de reguliere aanvraagmogelijkheid. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten van €1.496,-. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd vanwege schending van de informatieplicht, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/661

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2021 in de zaak tussen

[eiser 1] , geboren op [geboortedatum 1] 1962, (V-nummer: [V-nummer 1] ), eiser 1 [eiseres 1] , geboren op [geboortedatum 2] 1962, (V-nummer: [V-nummer 2] ), eiseres 1

[eiseres 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2004,(V-nummer: [V-nummer 3] ), eiseres 2
[eiser 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2006,(V-nummer: [V-nummer 4] ), eiser 2
[eiseres 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2008,(V-nummer: [V-nummer 5] ), eiseres 3,
allen van Eritrese nationaliteit
(hierna gezamenlijk te noemen eisers, eiser 1 en eiseres 1 worden ook aangeduid als ouders.
eiseres 2, eiser 2 en eiseres 3 worden ook aangeduid als broer en zussen.
(gemachtigde: mr. M.L. van Leer),
en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Procesverloop

Bij besluit van 19 april 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.
Bij besluit van 5 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 mei 2021. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen hun gemachtigde. Tevens zijn verschenen [A] (referent), B. Habte Essaias (tolk) en de zus van referent [A] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers verzoeken om vrijstelling van het griffierecht voor de behandeling van het beroep wegens betalingsonmacht. Eisers hebben naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat zij niet over voldoende inkomsten of vermogen beschikken om het verschuldigde bedrag aan griffierecht te voldoen. Het beroep op betalingsonmacht slaagt. Eisers worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
2. Referent heeft sinds 30 november 2017 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 28 november 2017 heeft referent een aanvraag voor een mvv nareis ingediend voor zijn ouders. Ook heeft hij een mvv aangevraagd met als doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ voor zijn broer en zussen.
Het bestreden besluit
3. Verweerder heeft de mvv-aanvragen afgewezen, omdat eisers de familierechtelijke relatie met referent niet hebben aangetoond. Eisers hebben een aantal (indicatieve) documenten ingediend, maar deze heeft verweerder als onvoldoende beoordeeld voor het vaststellen van de familierechtelijke relatie. Verweerder heeft eisers DNA-onderzoek aangeboden op de Nederlandse ambassade in Ethiopië om aannemelijk te maken dat zij de ouders, broer en zusjes van referent zijn. Omdat eisers niet beschikbaar waren voor dit onderzoek en ook geen termijn hebben gegeven waarbinnen zij beschikbaar zullen zijn, heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

Standpunt eisers

4. Eisers vinden dat zij in een overmachtssituatie verkeren, omdat zij niet in staat zijn om Eritrea uit te reizen. De coronamaatregelen en het conflict in Tigray zorgen ervoor dat zij de ambassade in Ethiopië niet kunnen bereiken. Verweerder handelt volgens eisers in strijd met de samenwerkingsverplichting zoals neergelegd in artikel 11 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn [1] door de zaak niet aan te houden of een andere vorm van onderzoek aan te bieden. Eisers verwijzen hierbij naar het arrest E. [2] Eisers vinden het gelet op het tijdsverloop in de procedure onzorgvuldig dat verweerder hun aanvraag afwijst kort nadat gebleken is dat zij niet beschikbaar zijn voor onderzoek. Eisers vinden daarnaast dat het indienen van een reguliere aanvraag voor gezinshereniging geen optie is. Referent is inmiddels meerderjarig geworden. Zij kunnen daardoor geen nieuwe nareisaanvraag meer indienen. Zij moeten dan een aanvraag doen op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het toetsingskader is bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM veel strenger dan in nareiszaken.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank stelt vast dat eisers niet betwisten dat zij onvoldoende (indicatieve) documenten hebben ingediend om de familierechtelijke relatie met referent te onderbouwen. De rechtbank moet nu beoordelen of verweerder de aanvraag mocht afwijzen, omdat eisers niet beschikbaar waren voor onderzoek. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en legt dit hieronder uit.

Het DNA-onderzoek

6. In de situatie van eisers heeft verweerder de overgelegde documenten bij de beoordeling betrokken en eisers vervolgens DNA-onderzoek aangeboden. Uit de samenwerkingsverplichting zoals nader uitgelegd in het arrest E. volgt dat verweerder alle relevante omstandigheden bij de beoordeling moet betrekken. Verweerder mag een aanvraag niet afwijzen alleen omdat officiële documenten ontbreken. Dat heeft verweerder in de situatie van eisers ook niet gedaan. Verder is gebleken dat verweerder de aanvraag van eisers niet direct heeft afgewezen toen bleek dat eisers niet beschikbaar waren voor onderzoek. Op 4 januari 2021 heeft verweerder echter vastgesteld dat eisers niet beschikbaar waren voor DNA-onderzoek in Ethiopië en dat er ook geen zicht was wanneer eisers wel beschikbaar zouden zijn. Deze situatie is gedurende de beroepsprocedure niet veranderd. De rechtbank begrijpt dat het voor eisers vanwege de coronamaatregelen en het conflict in Tigray lastig is om op dit moment uit te reizen. Dat uitreis lastig is wordt door verweerder ter zitting ook erkend. Dit maakt echter niet dat sprake is van een situatie waarin onevenredige eisen worden gesteld aan eisers door hun DNA-onderzoek aan te bieden op de Nederlandse ambassade in Ethiopië. Eisers hebben aangevoerd dat de uitreis uit Eritrea voor hen te gevaarlijk is. De situatie van eisers verschilt hierin niet van andere nareiszaken waarbij ouders met minderjarige Eritrese vreemdelingen een aanvraag indienen. [3] Het niet verder aanhouden van het DNA-onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet onzorgvuldig of in strijd met de samenwerkingsverplichting. Verweerder heeft de relevante omstandigheden bij de beoordeling betrokken. Nu gedurende de periode van 12 november 2020 tot 5 januari 2021 onduidelijk was wanneer eisers konden uitreizen heeft verweerder kunnen besluiten de aanvraag niet langer aan te houden. De rechtbank acht hierbij ook van belang dat eisers Eritrea moeten uitreizen om gebruik te kunnen maken van een eventueel toegekend verblijfsrecht.
Verwijzen naar de reguliere procedure
7. Ten aanzien van de verwijzing van verweerder naar de reguliere verblijfsprocedure overweegt de rechtbank het volgende. Ook in de situatie dat een referent tijdens de nareisprocedure meerderjarig wordt kan verweerder verwijzen naar de reguliere procedure voor gezinshereniging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat het recht op gezinshereniging hiermee niet uiterst moeilijk of onmogelijk gemaakt. Verweerder moet bij deze reguliere aanvraag rekening houden met de met de voorgeschiedenis van de aanvankelijk alleenstaande minderjarige referent. [4] Hierbij acht de rechtbank ook van belang dat verweerder ter zitting heeft bevestigd dat bij een volgende aanvraag van eisers de overmachtssituatie waarin eisers nu verkeren zal worden betrokken bij de beoordeling.
8. Verder is van belang dat verweerder eisers in het bestreden besluit volledig dient te informeren over de gevolgen van een afwijzing van het verzoek om gezinshereniging. [5] Volgens verweerder heeft hij de informatieplicht geschonden door eisers pas in het verweerschrift te wijzen op de mogelijkheid om een reguliere aanvraag in te dienen. Om die reden is sprake van strijd met het bepaalde in artikel 3:2 en Pro artikel 7:12 van Pro de Awb, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu eisers tijdens de beroepsprocedure alsnog op de hoogte zijn geraakt van de mogelijkheid om een aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning in te dienen.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.496,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 748en 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.496,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Reijnierse, rechter, in aanwezigheid van mr. R.G.A. Beijen, griffier. De beslissing is uitgesproken op 7 juli 2021 en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voetnoten

1.Richtlijn 2003/86/EU
2.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU), 13 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:192
3.Zie bijvoorbeeld ABRvS, 25 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:404
4.Zie bijvoorbeeld ABRvS, 23 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2780
5.ABRvS, 14 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2957