ECLI:NL:RBDHA:2021:16106
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing MVV-aanvraag op grond van artikel 8 EVRM wegens niet-toepassing jongvolwassenenbeleid
Eisers, Syrische familieleden van referent die in Nederland verblijft, vroegen via referent een machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) aan voor verblijf als familieleden op grond van artikel 8 EVRM Pro. Verweerder wees de aanvraag af omdat eisers niet voldeden aan de voorwaarden en er geen familieleven bestond in de zin van artikel 8 EVRM Pro. Het jongvolwassenenbeleid was volgens verweerder niet van toepassing omdat referent in zijn eigen onderhoud voorziet en er geen meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie bestaat.
Eisers betwistten dit en stelden dat verweerder ten onrechte niet had getoetst aan het jongvolwassenenbeleid en dat de omstandigheden in Turkije meegewogen moesten worden. Ook voerden zij aan dat de emotionele banden sterker zijn dan normaal en dat zij zonder referent niet zelfstandig kunnen functioneren.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht heeft meegewogen dat referent in Turkije zelfstandig in zijn onderhoud voorzag en dat het jongvolwassenenbeleid daarom niet van toepassing is. Tevens concludeerde de rechtbank dat er geen meer dan normale emotionele banden zijn en dat financiële ondersteuning ook op afstand kan worden gegeven. Het beroep op schending van de hoorplicht werd verworpen omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af. Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de MVV-aanvraag wordt ongegrond verklaard omdat het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing is en er geen meer dan normale emotionele banden bestaan.