Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
[dochter], minderjarige dochter V-nummer: [v-nummer]
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid waarin hun asielaanvragen niet in behandeling zijn genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 3 augustus 2021 behandeld, waarbij eisers niet zijn verschenen.
De rechtbank overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië in het algemeen geldt en dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat dit in hun geval niet opgaat. Eisers stelden dat het Italiaanse asiel- en opvangsysteem tekortschiet, met name voor hun minderjarige zoon die psychische klachten heeft, en dat zij risico lopen op verregaande materiële deprivatie en gezinsverbreking. Deze stellingen zijn niet voldoende onderbouwd en worden door de rechtbank verworpen.
De rechtbank wijst erop dat Italië verplicht is vingerafdrukken af te nemen en dat de wijze van afname geen reden vormt om het vertrouwen in Italië te schaden. Ook is geen sprake van disproportionele hardheid die toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening zou rechtvaardigen. De rechtbank concludeert dat de omstandigheden van eisers niet zodanig zijn dat een uitzondering op de overdracht aan Italië moet worden gemaakt.
Het beroep wordt ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter P.J.M. Mol en griffier M.A.W.M. Engels op 5 augustus 2021.
Uitkomst: Het beroep van eisers tegen de weigering van hun asielaanvragen is ongegrond verklaard.