ECLI:NL:RVS:2021:464
Raad van State
- Hoger beroep
- J.J. van Eck
- E. Steendijk
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake niet in behandeling nemen asielaanvraag in Dublinprocedure
De staatssecretaris heeft op 25 juli 2019 besloten een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond en vernietigde het besluit, met de opdracht een nieuw besluit te nemen.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen dit vonnis. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet had erkend, dat inhoudt dat ook bij kwetsbare vreemdelingen wordt uitgegaan van passende medische zorg in de verantwoordelijke lidstaat, hier Italië. De vreemdeling had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat dit niet het geval zou zijn.
Verder stelde de vreemdeling dat hij slachtoffer was van mensenhandel en daarom in de gelegenheid had moeten worden gesteld om aangifte te doen. De Afdeling verwierp dit, omdat in de Dublinprocedure de vraag naar een vergunning op die grond niet aan de orde is en de mogelijkheid tot aangifte in Italië openstaat.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.