Uitspraak
1.ECLI:NL:RVS:2021:543.
4.ECLI:NL:RVS:2021:1813.
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, werd op 24 augustus 2021 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde dat onduidelijk was op welke wettelijke grondslag de ophouding was gebaseerd, verwijzend naar tegenstrijdige artikelen in het proces-verbaal. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke grondslag artikel 50a van de Vreemdelingenwet was en dat de verwijzing naar een verkeerd wetsartikel een gering gebrek vormde dat de belangen van eiser niet schaadde.
Verweerder voerde aan dat er zware gronden waren voor de bewaring, waaronder het niet op voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht. Eiser betwistte slechts één zware grond, maar de rechtbank achtte deze voldoende gemotiveerd en feitelijk juist. De zware gronden waren voldoende om de bewaring te dragen.
Eiser voerde ook aan dat het cellencomplex in Den Haag niet voldeed aan de eisen van de Dublinverordening en Opvangrichtlijn, omdat vreemdelingen in contact zouden komen met strafrechtelijke gedetineerden. De rechtbank stelde vast dat vreemdelingen en strafrechtelijke gedetineerden gescheiden worden gehouden en dat dit bezwaar niet slaagde.
Ten slotte stelde eiser dat het tijdstip van uitreiking van de maatregel onduidelijk was vanwege een verschil tussen de elektronische ondertekening en het vermelde tijdstip. De rechtbank oordeelde dat de maatregel rechtsgeldig was opgelegd en dat dit tijdsverschil onvoldoende was voor een ander oordeel.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.