ECLI:NL:RBDHA:2021:16520
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen weigering asielaanvraag wegens Dublinverordening en fictief claimakkoord met Italië
Eiser diende een asielaanvraag in Nederland in, maar de Staatssecretaris weigerde deze in behandeling te nemen omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling. Verweerder had een overnameverzoek naar Italië gestuurd, waarop Italië niet tijdig reageerde, waardoor een fictief claimakkoord ontstond.
Eiser stelde dat de informatiebrochure B te laat en mogelijk niet in de juiste taal was uitgereikt, wat volgens hem in strijd was met de Dublinverordening. De rechtbank oordeelde dat brochure B weliswaar te laat was verstrekt maar wel in de juiste taal en dat dit gebrek geen nadelige gevolgen had voor eiser omdat hij alsnog tijdig een advocaat kreeg en een zienswijze kon indienen.
Verder voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende onderzoek had gedaan naar de opvangomstandigheden in Italië, mede vanwege de coronapandemie en zijn kwetsbare situatie. De rechtbank stelde dat verweerder terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de situatie in Italië zodanig was dat overdracht onrechtmatig zou zijn.
Ook het beroep op het loyaliteitsbeginsel en toekomstige regelgeving werd verworpen. Tot slot oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht geen gebruik maakte van de discretionaire bevoegdheid op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.