ECLI:NL:RBDHA:2021:16570
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag wegens statushouder Italië
Eiser, een Somalische nationaliteit, had een asielaanvraag ingediend die door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid niet-ontvankelijk werd verklaard omdat hij reeds internationale bescherming genoot in Italië, waar hij een geldige verblijfsvergunning had tot 2024.
Eiser voerde aan dat zijn situatie in Italië slecht was en dat hij risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro, onder verwijzing naar het arrest Ibrahim van het HvJ-EU en diverse rapporten over de situatie van statushouders in Italië. Hij stelde dat hij in Italië op straat had moeten leven en geen toegang had tot medische voorzieningen.
De rechtbank overwoog dat hoewel statushouders in Italië problemen ondervinden bij toegang tot huisvesting en voorzieningen, dit niet neerkomt op een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zoals vereist voor schending van artikel 3 EVRM Pro. De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en concludeerde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië nog steeds geldt.
Eiser had niet aannemelijk gemaakt dat hij in Italië in een toestand verkeerde of zal verkeren die onverenigbaar is met menselijke waardigheid. Ook was niet gebleken dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover statushouders. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.