ECLI:NL:RBDHA:2021:16875

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 november 2021
Publicatiedatum
16 augustus 2022
Zaaknummer
NL 21.12166
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:84 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling in terugkeerverplichting Hongarije

Verzoeker ontving op 23 juli 2021 een bevel om onmiddellijk terug te keren naar Hongarije, waartegen hij bezwaar maakte. Vervolgens verzocht hij de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. Het bezwaar werd op 24 september 2021 kennelijk ongegrond verklaard door de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Op 14 oktober 2021 informeerde verweerder dat de termijn voor het instellen van beroep was gestart en dat het verzoek om voorlopige voorziening niet meer aan het connexiteitsvereiste voldeed, waardoor het niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard. Verzoeker trok daarop op 9 november 2021 het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om veroordeling van verweerder in de proceskosten.

De voorzieningenrechter oordeelde dat geen sprake was van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a Awb, omdat het bezwaar ongegrond was verklaard en het bestuursorgaan geen onrechtmatigheid had erkend. Daarom werd het verzoek tot proceskostenveroordeling afgewezen. De uitspraak werd gedaan op 29 november 2021 door voorzieningenrechter J.G. Nicholson.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening en het verzoek tot proceskostenveroordeling worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL21.12166
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en
de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: R. van der Heijden).

Procesverloop

Verweerder heeft op 23 juli 2021 een bevel om onmiddellijk terug te keren naar Hongarije aan verzoeker uitgereikt (het primaire besluit).
Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Met het besluit van 24 september 2021 heeft verweerder het bezwaar van verzoeker kennelijk ongegrond verklaard.
Daarna heeft verweerder op 14 oktober 2021 een brief gestuurd waarin hij schrijft dat 24 september 2021 een beslissing is genomen op het bezwaar dat connex was aan het verzoek om een voorlopige voorziening. Ook schrijft hij dat de termijn om beroep in te stellen net is ingegaan en dat nog niet is gebleken van een beroepschrift en een petitumwijziging van het verzoek. Om deze reden voldoet het verzoek volgens verweerder niet meer aan het connexiteitsvereiste en zou het niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
Verzoeker heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 9 november 2021 ingetrokken en verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De voorzieningenrechter heeft verweerder met de brief van 9 november 2021 in de gelegenheid gesteld binnen twee weken te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten.
Verweerder heeft hierop niet gereageerd.

Overwegingen

1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Die wetsartikelen zijn op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder met het besluit van 24 september 2021 tegemoet is gekomen aan het bezwaarschrift van verzoeker en als gevolg daarvan gehouden is om de proceskosten te vergoeden.
3. Uit rechtspraak1 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat van tegemoetkomen als bedoeld in artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake is, indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het primaire besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het verzoekschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren.
4. De voorzieningenrechter oordeelt dat in dit geval geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb. Met het besluit van 24 september 2021 is het bezwaar immers kennelijk ongegrond verklaard.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat gelet op het voorgaande geen aanleiding. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot veroordeling in de proceskosten daarom af.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. van den Broek, griffier.
1 Bijv. uitspraken van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1487.
De uitspraak is uitgesproken en bekendgemaakt op:
29 november 2021
en zal openbaar worden gemaakt door publicatie op rechtspraak.nl
Mr. J.G. Nicholson S. van den Broek
Rechter Griffier
Rechtbank Midden-Nederland Rechtbank Midden-Nederland
Documentcode: [documentcode]
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.