ECLI:NL:RBDHA:2021:16892
Rechtbank Den Haag
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen weigering verblijfsvergunning op grond van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling te nemen, omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep behandeld zonder aanwezigheid van eiser en heeft het beroep ongegrond verklaard.
De rechtbank overwoog dat Nederland een verzoek tot terugname aan Italië had gedaan en dat Italië niet tijdig had gereageerd, waardoor de verantwoordelijkheid van Italië vaststaat (fictief akkoord). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Italië niet geldt, ondanks zijn medische aandoening (acromegalie). Ook is niet gebleken van structurele tekortkomingen in het Italiaanse asiel- en opvangsysteem die een schending van artikel 3 EVRM Pro zouden opleveren.
Verder is het beroep op artikel 4 van Pro het Handvest verworpen omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Italië in een toestand van ernstige materiële deprivatie zal verkeren. Ten slotte is geen toepassing gegeven aan artikel 17 Dublinverordening Pro, omdat de omstandigheden van eiser niet uitzonderlijk genoeg zijn om een uitzondering te rechtvaardigen. Ook de corona-gerelateerde argumenten zijn onvoldoende om de overdracht te verhinderen. Het beroep is daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de verblijfsvergunning op grond van de Dublinverordening wordt ongegrond verklaard.