ECLI:NL:RBDHA:2021:16904
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond op Dublinverordening wegens onvoldoende gezinsband en afhankelijkheid met broer in Italië
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Italië volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Eiser stelde dat Italië niet langer betrouwbaar is als verantwoordelijke lidstaat vanwege slechte opvangomstandigheden en verwees naar diverse rapporten en het coronavirus. De rechtbank oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten opzichte van Italië blijft gelden, mede bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
Verder voerde eiser aan dat hij onder artikel 9 van Pro de Dublinverordening valt vanwege een gezinsband met zijn broer, en dat hij afhankelijk is van zijn broer op grond van artikel 16, mede door medische klachten. De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn broer geen gezinsleden zijn in de zin van de verordening en dat de afhankelijkheid onvoldoende is aangetoond, mede omdat er geen actieve medische behandeling plaatsvindt en zij al lange tijd gescheiden waren.
Ten slotte wees de rechtbank het beroep af omdat de omstandigheden niet zodanig bijzonder zijn dat toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening tot een uitzondering zou moeten leiden. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het Dublin-besluit wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende bewijs van gezinsband en afhankelijkheid en het voortbestaan van het vertrouwensbeginsel jegens Italië.