ECLI:NL:RBDHA:2021:16967
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep wegens ontbreken rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan
Eiseres, een Oostenrijkse gemeenschapsonderdaan, en haar minderjarige kinderen verbleven in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde bij besluit vast dat eiseres geen rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8.12 van het Vreemdelingenbesluit 2000, omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor rechtmatig verblijf als werknemer, zelfstandige of voldoende middelen van bestaan.
Eiseres voerde aan dat zij wel informatie had verstrekt en dat haar partner de kostwinner was, maar kon dit niet met stukken onderbouwen. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende had aangetoond dat zij reële arbeid verrichtte of over voldoende middelen beschikte. De belangenafweging viel in het nadeel van eiseres uit, mede vanwege haar langdurige bijstandsontvangst en geringe integratie in Nederland.
Verder werd geoordeeld dat verweerder niet verplicht was ambtshalve een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro te beoordelen en dat het beroep op het arrest Chavez-Vilchez niet slaagde omdat eiseres zelf geen derdelander is. De rechtbank wees ook het beroep op schending van de hoorplicht af, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van rechtmatig verblijf.