De kantonrechter van de Rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 2 maart 2021 geoordeeld dat het ontslag op staande voet dat aan de werknemer was gegeven onterecht was omdat er geen dringende reden was. Hierdoor heeft de werknemer aanspraak op een gefixeerde schadevergoeding, een transitievergoeding en een billijke vergoeding.
In de procedure heeft de werknemer daarnaast aanspraak gemaakt op betaling van vakantiegeld, vergoeding van niet-genoten vakantiedagen en loon over juli 2020. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het vakantiegeld correct was berekend door de werkgever conform de toepasselijke cao en dat de werknemer geen aanspraak meer had op aanvullend vakantiegeld.
Voor de vergoeding van niet-genoten vakantiedagen heeft de kantonrechter het door de werkgever overgelegde vakantieoverzicht gevolgd, waarbij 20,93 openstaande dagen werden vastgesteld. De werknemer had echter nog recht op vakantietoeslag over deze dagen, zodat een aanvullend bedrag van €197,85 bruto werd toegewezen.
Ten aanzien van het loon over juli 2020 heeft de kantonrechter het standpunt van de werkgever gevolgd dat de berekening op basis van werkdagen correct was en dat het reeds betaalde bedrag toereikend was. Daarnaast zijn wettelijke rente, proceskosten en incassokosten toegewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.