Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
[eiser 1] en [eiser 2], mede ten behoeve van hun minderjarige kinderen
[eiser 4], eisers
Rechtbank Den Haag
Eisers hebben beroep ingesteld tegen besluiten van 16 februari 2021 waarin hun asielaanvragen niet in behandeling werden genomen. Verweerder stelde dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat eisers daar eerder een asielaanvraag hadden ingediend.
Eisers voerden aan dat terugkeer naar Italië niet mogelijk is vanwege slechte opvangomstandigheden, hun gezinssituatie met jonge kinderen en de impact van het coronavirus. Zij stelden dat zij geen gehoor vonden bij Italiaanse autoriteiten en dat de opvangvoorzieningen onvoldoende zijn.
De rechtbank overwoog dat verweerder terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, zoals bevestigd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eisers slaagden er niet in dit vertrouwen te onderbouwen met concrete bewijsstukken.
De rechtbank concludeerde dat de situatie in Italië niet zodanig is verslechterd dat er een reëel risico bestaat op een schending van mensenrechten zoals artikel 3 EVRM Pro. De coronapandemie vormt een tijdelijk overdrachtsbeletsel, maar maakt de vaststelling van Italië als verantwoordelijke lidstaat niet onrechtmatig.
Daarom zijn de beroepen ongegrond verklaard en is de niet-inbehandelingname van de asielaanvragen door verweerder gerechtvaardigd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de niet-inbehandelingname van de asielaanvragen omdat Italië verantwoordelijk is.