ECLI:NL:RBDHA:2021:2732
Rechtbank Den Haag
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verbod uitlevering aan Verenigde Staten wegens schending mensenrechten
Eiseres, met Nederlandse nationaliteit en moeder van zes minderjarige kinderen, wordt door de Verenigde Staten verdacht van financiering van terrorisme en wordt uitgezet op basis van een uitleveringsverzoek. Na een eerdere toelaatbaarheidsverklaring door de uitleveringsrechter en een ministeriële beschikking tot uitlevering, vordert eiseres in kort geding een verbod op uitlevering vanwege vermeende schendingen van haar mensenrechten en die van haar kinderen.
De rechtbank stelt vast dat het beroep op schending van artikel 6 EVRM Pro niet slaagt omdat de overschrijding van de redelijke termijn niet onherstelbaar is en reeds door de uitleveringsrechter is beoordeeld. Ook het beroep op artikel 8 EVRM Pro en artikelen 3, 9 en 10 IVRK faalt, omdat de inbreuk op het gezinsleven inherent is aan uitlevering en gerechtvaardigd wordt door het uitleveringsbelang.
De rechtbank oordeelt dat de persoonlijke omstandigheden van eiseres en haar gezin, waaronder haar rol als zorgdrager en de gevolgen voor de kinderen, niet leiden tot bijzondere hardheid die uitlevering zou verbieden. De minister heeft voldoende onderzoek gedaan en gemotiveerd waarom uitlevering niet onrechtmatig is. De vorderingen worden afgewezen en eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot verbod op uitlevering aan de Verenigde Staten wordt afgewezen.