ECLI:NL:RBDHA:2021:2890
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging hogere dwangsom
Eiser heeft op 9 november 2018 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank oordeelde op 2 september 2019 dat verweerder niet tijdig op de aanvraag had beslist en gaf een dwangsom op. Na een eerdere uitspraak van 31 augustus 2020 waarin verweerder werd opgedragen alsnog te beslissen, is dit niet gebeurd.
De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is omdat de beslistermijn en ingebrekestelling vóór de inwerkingtreding daarvan plaatsvonden. De rechtbank wijst het standpunt van verweerder af dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn vanwege de lopende dwangsomperiode.
Vanwege de coronacrisis was sprake van overmacht tussen 16 maart en 16 mei 2020, waardoor asielgehoren niet konden plaatsvinden. Inmiddels zijn de gehoorprocedures gestart en zal de aanvraag verder behandeld worden in de Verlengde Asielprocedure. De rechtbank legt een termijn van acht weken op voor het alsnog beslissen en verhoogt de dwangsom tot € 250 per dag met een maximum van € 7.500.
Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 267. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier S.X. Scholten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van acht weken op en een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 7.500.