ECLI:NL:RBDHA:2021:2890

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2021
Publicatiedatum
26 maart 2021
Zaaknummer
NL20.17898
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:55d AwbArt. 28 VwArtikel 3 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen INDEVRM art. 3
Verwijzingen
15 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet tijdig beslissen op asielaanvraag met oplegging hogere dwangsom

Eiser heeft op 9 november 2018 een asielaanvraag ingediend. De rechtbank oordeelde op 2 september 2019 dat verweerder niet tijdig op de aanvraag had beslist en gaf een dwangsom op. Na een eerdere uitspraak van 31 augustus 2020 waarin verweerder werd opgedragen alsnog te beslissen, is dit niet gebeurd.

De rechtbank overweegt dat de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND niet van toepassing is omdat de beslistermijn en ingebrekestelling vóór de inwerkingtreding daarvan plaatsvonden. De rechtbank wijst het standpunt van verweerder af dat het beroep niet-ontvankelijk zou zijn vanwege de lopende dwangsomperiode.

Vanwege de coronacrisis was sprake van overmacht tussen 16 maart en 16 mei 2020, waardoor asielgehoren niet konden plaatsvinden. Inmiddels zijn de gehoorprocedures gestart en zal de aanvraag verder behandeld worden in de Verlengde Asielprocedure. De rechtbank legt een termijn van acht weken op voor het alsnog beslissen en verhoogt de dwangsom tot € 250 per dag met een maximum van € 7.500.

Verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten van € 267. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier S.X. Scholten. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een beslistermijn van acht weken op en een dwangsom van € 250 per dag met een maximum van € 7.500.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL20.17898

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [#]
(gemachtigde: mr. S. Wierink),
en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Op 5 oktober 2020 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet met toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 9 november 2018 een asielaanvraag ingediend. Bij uitspraak van 2 september 2019 [1] heeft deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, geoordeeld dat verweerder niet tijdig op deze aanvraag heeft beslist. Verweerder is toen opgedragen om binnen acht weken na de uitspraak een eerste gehoor te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100 per dag dat deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000. De rechtbank, zittingsplaats Haarlem, heeft bij uitspraak van 31 augustus 2020 [2] vastgesteld dat verweerder geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van 2 september 2019. De rechtbank heeft verweerder om die reden opgedragen om binnen vier weken na haar (nieuwe) uitspraak alsnog een besluit bekend te maken. De rechtbank heeft aan het niet opvolgen van die opdracht een dwangsom verbonden van € 200 per dag, met een maximum van € 15.000. Verweerder had dus uiterlijk op 28 september 2020 moeten beslissen.
2. Op 11 juli 2020 is de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND (Tijdelijke wet) in werking getreden [3] , op grond waarvan het met ingang van die datum niet meer mogelijk is om bij de bestuursrechter beroep in te stellen tegen het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit geldt op grond van artikel 3 van Pro de Tijdelijke wet niet voor de gevallen waarin de beslistermijn al vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet is verstreken en de aanvrager verweerder ook vóór bedoelde datum in gebreke heeft gesteld. Aangezien deze situatie zich hier voordoet, staat de Tijdelijke wet niet in de weg aan het beroep.
3. De omstandigheid dat de periode waarover de aan deze laatste uitspraak verbonden dwangsom wordt verbeurd nog niet is verstreken, leidt – anders dan verweerder stelt – evenmin tot de niet-ontvankelijkheid van het beroep. De rechtbank volgt niet verweerders standpunt dat met de inhoudelijke beoordeling van het onderhavige beroep opnieuw wordt getreden in de beoordeling van een geschil waarover de rechtbank al eerder heeft geoordeeld. Het nu te beoordelen geschil betreft namelijk de vraag of verweerder gevolg heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank, door uiterlijk 28 september 2020 te beslissen op de aanvraag. Vaststaat dat verweerder dat niet heeft gedaan. Het beroep is dus gegrond. Het gegeven dat verweerder op dit moment mogelijk nog dwangsommen verbeurt als gevolg van de eerdere beslissing van de rechtbank is slechts relevant voor de vraag naar het afdwingen van de thans door de rechtbank te treffen voorziening met een nieuwe dwangsom.
4. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een oordeel over een mogelijke schending van artikel 3 van Pro het EVRM [4] bij terugkeer van eiser naar zijn land van herkomst, zoals eiser vraagt. Het is aan verweerder om het onderzoek in dat verband uit te voeren. Bovendien mag eiser de uitkomsten van dit onderzoek in Nederland afwachten. Daarnaast overweegt de rechtbank dat de bestuursrechter niet bevoegd is om de verschuldigdheid van verbeurde rechterlijke dwangsommen te beoordelen [5] , zoals verweerder in zijn verweerschrift vraagt.
5. De rechtbank is ermee bekend dat er, mede vanwege de omstandigheden rondom de bestrijding van het coronavirus, sprake is van toegenomen achterstanden in het verwerken van asielaanvragen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst. In verband met bedoelde omstandigheden verkeerde verweerder van 16 maart tot 16 mei 2020 in een situatie van overmacht, waardoor hij niet in de gelegenheid is geweest om asielgehoren af te nemen. Inmiddels heeft op 18 november 2020 het eerste en het nader gehoor plaatsgevonden. Verweerder heeft bij brief van 24 november 2020 bericht dat eisers asielaanvraag verder zal worden behandeld in de Verlengde Asielprocedure. De rechtbank wijst er op dat zij al in haar uitspraak van 31 augustus 2020 heeft overwogen dat van verweerder kan worden gevraagd om zich in deze zaak extra in te spannen om op korte termijn een besluit op de asielaanvraag van eiser te nemen. De rechtbank heeft daarbij nadrukkelijk gewezen op de uiterste termijn van 21 maanden waarbinnen de asielprocedure in elk geval moet zijn afgerond. [6] In dit geval is die termijn inmiddels ruim verstreken. Met het oog op de door verweerder in acht te nemen zorgvuldigheid en procedureregels kan voor het alsnog beslissen op de aanvraag evenwel niet worden volstaan met een kortere termijn dan acht weken. [7] De rechtbank zal daarom bepalen dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden een beslissing op de aanvraag moet nemen.
6. De rechtbank stelt vast dat de eerder aan verweerder opgelegde dwangsommen vooralsnog een onvoldoende prikkel zijn gebleken. Vaststaat verder dat verweerder in elk geval na 12 december 2020 geen dwangsom meer heeft verbeurd op grond van de uitspraak van de rechtbank van 31 augustus 2020. Gelet hierop, zal de rechtbank met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepalen dat verweerder een dwangsom verbeurt van
€ 250 voor elke dag dat de in deze uitspraak bepaalde beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500.
7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 267 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 534 en een wegingsfactor van 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep gegrond;
 vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
 bepaalt dat verweerder binnen acht weken na de dag waarop de uitspraak wordt verzonden alsnog een besluit aan eiser bekendmaakt;
 bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 250 (tweehonderdvijftig euro) aan eiser verbeurt voor elke dag dat de hiervoor gestelde termijn wordt overschreden, met een maximum van € 7.500 (vijfenzeventighonderd euro);
 veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser van € 267 (tweehonderdzevenenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. S.X. Scholten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.NL19.17024.
2.NL20.13644.
3.Staatsblad 2020, 242.
4.Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
5.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152.
6.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
7.Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) en 16 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3020).