ECLI:NL:RBDHA:2021:2898
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen weigering verblijfsvergunning wegens niet betalen leges
Eiser, een Egyptische nationaliteit dragende vreemdeling, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM Pro. De Staatssecretaris weigerde de aanvraag in behandeling te nemen omdat eiser de wettelijk verplichte leges niet had betaald. Eiser voerde aan dat hij niet over de middelen beschikte om de leges te voldoen en dat hij op basis van een inkomensverklaring van de Raad voor Rechtsbijstand recht had op vrijstelling.
De rechtbank oordeelde dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij op korte termijn niet in het bezit zou komen van geld om de leges te betalen, noch dat hij geen beroep kon doen op familie of derden. De stelling dat hij basisvoorzieningen ontving van een stichting was onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verwierp ook het beroep op het vertrouwensbeginsel, omdat de ontvangstbevestiging niet ondubbelzinnig vrijstelling beloofde.
Verder concludeerde de rechtbank dat de belangenafweging door de Staatssecretaris, waarbij werd vastgesteld dat het niet vrijstellen van leges niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro, voldoende gemotiveerd en zorgvuldig was. De hoorplicht werd terecht niet toegepast omdat het bezwaar geen kans had op een ander besluit. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om de aanvraag verblijfsvergunning niet in behandeling te nemen wegens niet betalen leges wordt ongegrond verklaard.