ECLI:NL:RVS:2010:BM5486
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vrijstelling leges op grond van artikel 8 EVRM bij aanvraag verblijfsvergunning
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris van Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage over de heffing van leges bij een aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd. De vreemdeling had een aanvraag ingediend en beroep gedaan op vrijstelling van leges op grond van artikel 8 EVRM Pro, dat het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven beschermt.
De rechtbank had geoordeeld dat het besluit van 29 mei 2008 onvoldoende was gemotiveerd over de beoordeling van het beroep op eerbiediging van het privéleven en de toepassing van de vrijstelling van leges. De staatssecretaris stelde dat de vrijstelling van leges volgens artikel 3.34f VV 2000 alleen geldt voor aanvragen onder de beperking gezinshereniging of gezinsvorming, maar dat in individuele gevallen ook het privéleven kan worden meegewogen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat het recht op eerbiediging van het privéleven niet voldoende was gewaarborgd, omdat de staatssecretaris in het individuele geval wel een beoordeling had verricht. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor een nieuwe beoordeling met inachtneming van de motieven over het recht op eerbiediging van het privéleven en de legesvrijstelling.
De proceskosten in hoger beroep werden vastgesteld en de rechtbank werd opgedragen te beslissen over de vergoeding daarvan.
Uitkomst: Het hoger beroep is gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de zaak terugverwezen voor nieuwe beoordeling.