ECLI:NL:RBDHA:2021:3037
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Loonsanctie wegens te late inzet tweede spoor re-integratietraject
Eiseres, een werkgever, kreeg een loonsanctie opgelegd door het UWV omdat zij onvoldoende re-integratie-inspanningen had verricht voor een langdurig zieke werknemer. De werknemer meldde zich ziek in september 2017 en diende in juli 2019 een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat het tweede spoor re-integratietraject te laat was ingezet en onterecht onderbroken was, wat leidde tot een verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tot september 2020.
Eiseres voerde aan dat de belastbaarheid van de werknemer door de Arbo-arts was vastgesteld en dat op basis hiervan het inzetten van het tweede spoor niet eerder verwacht kon worden. De rechtbank oordeelde echter dat de werkgever vanaf de eerstejaarsevaluatie in september 2018 had moeten starten met het tweede spoor, ongeacht het resultaat van het eerste spoor. Een intakegesprek vond pas in januari 2019 plaats en het traject werd pas in mei 2019 voortgezet, wat te laat was.
De rechtbank volgde de arbeidsdeskundigen die stelden dat twijfel aan het verdienvermogen of de haalbaarheid van het traject geen rechtvaardiging is om het tweede spoor niet tijdig te starten. Gezien deze feiten concludeerde de rechtbank dat de loonsanctie terecht is opgelegd en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de loonsanctie wegens te late inzet van het tweede spoor wordt ongegrond verklaard.